Hunebed D53 Havelterberg
Hunebed D53 (Wikimedia Commons)

De Nederlandse hunebedden werden als kalender gebruikt

Op zondag 16 augustus 2026 werd in de provincie Drenthe extra aandacht besteed aan de hunebedden op de Dag van het Hunebed. Dat hunebedden meer zijn dan een hoop stenen tracht ik ook met dit artikel aan te tonen. In 1977 vermoedde ik als jonge onderzoeker dat het Drentse hunebed D53 bij Darp (Havelte) niet onderdeed voor astronomisch georiënteerde monumenten elders in Europa. Ik probeerde aan te tonen dat het hunebed aan de voet van de Havelterberg met astronomische kennis was gebouwd en was gebruikt als een prehistorische jaarkalender. Verder onderzoek leidde tot mijn ontdekking dat de Nederlandse hunebedden “in dienst hebben gestaan” van één centraal hunebed: D53.

Om de stenen constructie van het ruim 18 meter lange hunebed D53 te begrijpen, ga ik eerst terug naar het begin van de twintigste eeuw. De bekende Nederlandse archeoloog Albert Egges van Giffen (1884-1973), de grondlegger van de moderne Nederlandse archeologie, startte in de 20’er jaren van de vorige eeuw een grootschalig project om alle hunebedden in kaart te brengen. Afhankelijk van de provincie waarin het hunebed lag, voegde hij de letter G (Groningen) of D (Drenthe) toe aan een rangnummer dat ruwweg van noord naar zuid liep.

Hunebed D53 Havelte West1
afb. 1 – Oorspronkelijke tekening van hunebed D53 door dr. A.E. van Giffen

Bij mijn eigen onderzoek gebruikte ik de plattegrond (afb. 1) die professor Van Giffen van hunebed D53 had gemaakt. Om mijn amateur-theorie te onderwerpen aan een academisch oog schreef ik in 1977 een brief aan de toenmalige Rijksdienst van het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) in Amersfoort. Tegenwoordig heet deze organisatie RCE, oftewel Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, een onderdeel van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Journalist

Als reactie op mijn brief werd ik in de loop van het jaar 1977 door archeoloog P.J. Woltering uitgenodigd voor een bezoek en ondernam ik de treinreis tussen Bussum en Amersfoort. Nadat ik mijn zegje had gedaan, vroeg hij me met zichtbaar ongeloof op zijn gezicht welke tekening ik bij mijn onderzoek had gebruikt. Dat was zoals gezegd die van afb. 1, een tekening die ik in een boek over archeologie had gevonden. Dat had voor Woltering niet veel waarde, omdat het betreffende boek geschreven bleek te zijn door een journalist. Daarmee had men in het algemeen weinig op in de archeologiewereld van toen.

Internet

“Maar,” zo sprak de heer Woltering, terwijl hij mij met pretoogjes aankeek, “ik zal de originele tekening van Van Giffen eens opzoeken in het archief.” Aldus geschiedde. Na enige tijd kwam Woltering terug met een enorme plattegrond, die een groot deel van zijn bureau in beslag nam.

En kwam deze plattegrond overeen met de tekening die ik had aangedragen? Jawel, het was precies dezelfde. Het ongeloof van de archeoloog sloeg hierdoor om in twijfel. De heer Woltering bood mij vervolgens aan dat ik voortaan voor onderzoek gebruik mocht maken van de bibliotheek van de ROB. Dat was een mooi gebaar in een tijd dat het internet nog niet of nauwelijks bestond!

Hunebed Havelte in
afb. 2 – het Hunebed van Darp/Havelte in 1941 (Wikimedia Commons)

Archeo-astronomie

Mijn gesprek met de heer P.J. Woltering was het niet het enige contact dat ik heb gehad met een beroepsarcheoloog. In de 90’er jaren van de vorige eeuw zat ik in het hoofdbestuur van de archeologie-vereniging AWN. In die hoedanigheid was ik regelmatig bij de ROB te vinden en had ik veel formele en informele contacten met (provinciaal) archeologen.

Bijzonder was een ontmoeting met mijn naamgenoot dr. J.A. Bakker (1935-), die bekend stond (en staat) om zijn grote kennis over het aardewerk van de hunebedbouwers, oftewel de Trechterbekercultuur. Ik vroeg hem bij die gelegenheid wat hij van mijn kalendertheorie over de hunebedden vond. Zijn antwoord was veelzeggend: “heel goed mogelijk!” Hij verwees naar de destijds in opkomst zijnde archeo-astronomie, een wetenschap die archeologische grond- en bouwwerken verbindt met de zon en de sterrenhemel. Ook noemde hij de duidelijke bewijzen daarvoor in internationaal verband.

Ontmanteld

Onze Nederlandse professor Van Giffen werkte met precisie en detail. Hij gaf zeer nauwkeurig elke steen weer van de hunebedden die hij in Groningen en Drenthe aantrof. Die eigenschap bleek voor wat betreft hunebed D53 (afb. 2) vooral na de Tweede Wereldoorlog van grote waarde te zijn. De Duitsers hadden dit monument ontmanteld vanwege de aanleg van een militair vliegveld bij de Havelterberg. Het hunebed verstoorde samen met het iets verderop gelegen hunebed D54 mogelijk het zicht van landende of opstijgende piloten, zo vonden de Duitsers.

In de aanloop naar de aanleg van het vliegveld in 1942 werd weinig respect getoond voor de stenen monumenten. Toegegeven moet worden dat men over het militaire voornemen wel contact opnam met prof. Van Giffen. In onderling overleg werd besloten om D54 met een laag zand te bedekken en alle loodzware keien van D53 in een zes meter diepe kuil te deponeren en ook die toe te dekken met een laag zand.

Prins Bernard

In 1935 had de KLM al plannen gehad om bij Havelte een vliegveld te ontwikkelen, voor als het bij Schiphol te druk zou worden. Dat doet enigszins denken aan de plannen uit deze tijd om een verlengstuk van Schiphol te verwezenlijken bij vliegveld Lelystad. Enfin, het idee van 1935 liep op niets uit, maar werd in 1942 wel opgepikt door de Duitsers en daarna toegepast om “Fliegerhorst Havelte” aan te leggen.

Het groeide uit tot een groot vliegveld met wel 22 hangars en honderden gecamoufleerde gebouwen. Vanaf 1942 werden bijna zesduizend arbeiders gedwongen om deze enorme vliegbasis in Drenthe te realiseren. Zij kapten 100 hectare bos en verwijderden heide en veen op een oppervlak van 600 hectare. De start- en landingsbaan van ongeveer 60 centimeter dik was ruim veertienhonderd meter lang en tachtig meter breed. Duitse jachtvliegtuigen stegen hier op om geallieerde bommenwerpers te onderscheppen.

Het eerste vliegtuig landde er op 25 juni 1943. Het laatste, met prins Bernard aan boord, op 17 april 1945. Dat was bijna een wonder, omdat het vliegveld nagenoeg onbruikbaar was geworden na zware geallieerde bombardementen in 1944 en 1945. De sporen daarvan zijn nog steeds in het landschap op en rond de Havelterberg terug te vinden.

Zwerfkeien

Na de oorlog werden de zwerfkeien weer opgegraven en aan de hand van de gedetailleerde tekening van Van Giffen teruggebracht in hun originele positie, zoals het er sinds een paar duizend jaar voor Christus had bijgelegen. Veel mensen begrepen al deze moeite niet, voor hen waren hunebedden niet meer dan een zomaar samengeraapte hoop zwerfkeien. Maar archeologen dachten daar anders over en terecht. Als je de prehistorische monumenten in het algemeen en D53 in het bijzonder bestudeert, valt direct een zekere regelmaat in de plaatsing van de keien op.

Nu is het natuurlijk wel zo dat een constructie met een dak eenvoudig is te maken. Met twee ondersteunende zwerfstenen (zijstenen) en daar bovenop een platte zwerfsteen (deksteen) en dat een paar keer achter elkaar geplaatst, met een sluitsteen aan beide kanten, heb je binnen de kortste keren een eenvoudig bouwwerk dat identiek is aan een hunebed.

Dagen en maanden

Toch zit het allemaal net iets ingenieuzer in elkaar, met name bij hunebed D53. Gezien vanuit het midden zie ik links 4 liggende dekstenen (op afb. 3 in het grijs) met 12 draagstenen, inclusief de sluitsteen. Deze staan volgens mij voor de 12 maanden in een jaar. Vervolgens zie ik rechts ook 4 dekstenen, met 10 draagstenen, inclusief de sluitsteen.

Deze stenen vertegenwoordigen in drie groepen van tien de dagen van een maand. In het midden resteert dan 1 deksteen met drie draagstenen, zoals we verderop zullen zien eigenlijk draaistenen. Daarvoor staan dan nog twee poortdraagstenen met een poortdeksteen, die de toegang tot de hunebedkamer markeren. Ik heb dit verduidelijkt in onderstaande afbeelding:

Landschap Hunebed D53
afb. 3 – de prehistorische kalender – de dekstenen zijn in het GRIJS weergegeven

Door markeringen aan te brengen in het hunebed, konden de seizoenswisselingen via dagen en maanden, en ook jaren, worden bijgehouden.

21 december

Hoe zou deze “kalender” kunnen werken in de praktijk? Om de voortgang van het jaar te markeren gebruikte men zeer waarschijnlijk keitjes, die in het hunebed bij een bepaalde draagsteen werden geplaatst. Voor de dagen een bepaalde kleine kei: de Dagkei (D). Voor de maanden werd vermoedelijk een wat grotere kei gebruikt: de Maandkei (M). De vraag is nu op welk moment men begon met het bijhouden van de dagen. Met andere woorden, wanneer brak voor de bouwers van D53 het nieuwe jaar (onze 1 januari) aan? Ik vermoed dat de dag die overeenkwam met de huidige kalenderdatum 21 december, oftewel de winterzonnewende, het dichtst bij de werkelijkheid komt.

De poort van D53 is naar het zuiden gericht. Het hunebed zelf ligt op 107° ten opzichte van de oost-westas (90°). Rond het middaguur, wanneer de zon op 21 december op haar hoogste punt staat, dat wil zeggen heel laag aan de zuidelijke hemel, schijnt het zonlicht door de zuidelijke poortopening de kamer in. De vraag is nu onder welke hoek dat gebeurt, vanwege de iets afwijkende ligging van het keiengeheel.

197°

Het hunebed ligt min of meer oost-west, dat wil zeggen, ruwweg op een rechte lijn die zich uitstrekt van 90° oost naar 270° west. Loodrecht op deze as staat de noord-zuidas (0° noord tot 180° zuid). De hoek tussen beide assen is precies 90°. Hunebed D53 ligt op 107° op de oost-westas, dus 107°-90° = 17° ten opzichte van de noord-zuidas.

Dit betekent dat de poortopening een kompasrichting heeft van hetzij 180°+17°= 197°, hetzij 180°- 17°= 163°.

Mijn conclusie is dat de zon op 21 december met het zuiden in de rug, rond het middaguur van linksachter onder een hoek van 17° ten opzichte van de noord-zuidas van de poort naar binnen scheen, in dit geval is dat onder een hoek van 197°.

D53 21 12 middaguur
afb. 4 – ©2026 Jan Bakker WebTeksten

Mede vanuit een jarenlange ervaring wist men het toen zeker: de winter was begonnen. De draagsteen in het verlengde van de zonnestraal vormde de eerste dag van het nieuwe jaar en werd daarom als zodanig met een ronde kei (R1) gemarkeerd (afb. 5). Tegelijkertijd markeerde kei D1 de eerste dag en kei M1 de eerste maand (afb. 4). Als D10 voorbij was, werd kei R1 verplaatst naar kei R2 en na weer 10 dagen naar R3.

Principe kalendertelling D53
afb. 5 – het principe van de telling – ©1977-2026 Jan Bakker

Priesters

Na R3 waren dertig dagen gepasseerd, waarna kei M1 werd opgeschoven naar de draagsteen van M2 (afb. 5). Na drie maanden begon een nieuw seizoen, daarvoor werden de rechter dekstenen een voor een gemarkeerd. Dit herhaalde zich allemaal tot er vier seizoenen c.q. 12 maanden c.q. 360 dagen waren voorbijgegaan. Tot slot werden bij het poortdeel van het hunebed eerst drie en dan nog twee poortdraagstenen gemarkeerd, zodat op zeker moment 365 dagen voorbij waren: 1 jaar. Daarvoor werd van binnenuit de jaarsteen  (J) gemarkeerd.

Het geheel herhaalde zich zo vier keer. Als het 4 jaren van 365 dagen later was, werd een extra poortdraagsteen gemarkeerd voor een 366e dag. Men moet het schrikkeljaar al hebben gekend. Van dit laatste kun je natuurlijk nooit helemaal zeker zijn, maar de structuur van het hunebed leent zich wel voor een dergelijke theorie. Al moet er dan wel een zeer strenge discipline gelden wat het bijhouden van de dagen, maanden, seizoenen en jaren betreft. Het lijkt mij dat met name priesters met deze belangrijke taak werden belast.

Schaduwen

De prehistorische mens had sowieso een monument zoals dit nodig om de dagen van het jaar bij te houden. De sleutel ligt in het concept van het jaren achtereen observeren van zon en schaduw. Afb. 6 toont bijvoorbeeld dat de middelste driehoekige steen ook de hoogste was van hunebed D53 en in de winter bij een laagstaande zon dus ook de langste schaduw gaf. Men denkt dat dergelijke schaduwpunten óf met een kei werden gemarkeerd, óf voorafgaand aan de bouw van het monument met een stevige stok.

Winterschaduw D53
afb.6 – schaduw van de stenen in december c.q. januari (© Google Earth)

Eeuwig

In de steentijd van rond 3000 voor Christus, ten tijde van de Trechterbekercultuur, was overleven direct gekoppeld aan de seizoenen. Het was bijzonder nuttig om te weten wanneer de beste zaai- en oogsttijden aanbraken. Kennis over het begin van lente, zomer, herfst of winter was onontbeerlijk voor onze vroege voorouders. Zonder schrift vormden de zware en in principe onverplaatsbare zwerfstenen het ideale middel om een “eeuwige” jaarkalender in te richten.

Mijn theorie dat hunebed D53 fungeerde als een kalender staat niet op zichzelf. Wereldwijd is te zien dat megalithische monumenten nauw verbonden zijn aan tijdmeting. Het bekendste voorbeeld is uiteraard Stonehenge in Engeland, waar de staande stenen exact zijn uitgelijnd op de zonnestanden. Ook de prehistorische ganggraven in Ierland, zoals Newgrange, laten zien dat de bouwers uit de steentijd geobsedeerd waren door het leiden van het zonlicht naar bepaalde stenen op zekere belangrijke tijden.

Zure bodem

Waarom zou de boeren van de Trechterbekercultuur in het gebied dat nu Drenthe heet, achterblijven? Als verwante cultuur moeten zij over dezelfde astronomische kennis hebben beschikt. Het feit dat hunebed D53 zo zorgvuldig is opgebouwd uit een specifiek aantal stenen, suggereert dat de ontwerpers ideeën of kennis hadden die verder ging dan alleen een mogelijke rustplaats voor de doden.

Trouwens, men heeft eigenlijk nooit kunnen bewijzen dat de hunebedden als graven zijn gebruikt. Mocht er al iemand in begraven zijn geweest, dan zijn de resten daarvan in de zure Drentse bodem allang vergaan. Wel zijn er urnen met crematieresten in hunebedden gevonden, maar die zijn er geplaatst door mensen uit latere culturen die handig gebruikmaakten van de al aanwezige hunebedden. In sommige gevallen maakte men er een heus urnenhol van.

Lof

Mijn theorie dat D53 een primitieve kalender was, geeft de mensen van de Trechterbekercultuur de lof die zij verdienen: geen onbeschaafde boeren, maar vindingrijke ingenieurs en astronomen. En het gaat nog verder. In principe was elk hunebed in de originele vorm geschikt om iets bij te houden: bepaalde dagen voor heilige feesten bijvoorbeeld. Centraal werd dat aangegeven door de priesters van het westelijk gelegen hunebed D53, mogelijk in samenwerking met die van het grootste hunebed van Nederland, het oostelijk gelegen D27 bij Borger. In het Hunebedcentrum aldaar vind je sowieso alle informatie over D27 als het allergrootste hunebed van Nederland.

Kopie-dagtelling

Op kleinere schaal waren er sub-kalenders, zoals bij het Drentse Drouwen (D25). Dit hunebed werd door professor Van Giffen in “zeer goede staat” aangetroffen. Het is nog helemaal compleet met de oorspronkelijke vier dekstenen, acht zijstenen en twee sluitstenen. In totaal dus tien draagstenen, een vrijwel exacte kopie van de “dagtelling” aan de rechterzijde van hunebed D53.

En zo zijn er nog meer hunebedden in Nederland net zo gebouwd, zoals hunebed D8 in Anloo dat exact dezelfde constructie bezit als hunebed D25 in Drouwen. Beide voorbeelden vormen hetzelfde rechterdeel van het op één na grootste hunebed van Nederland (D53).

 

 

Vorige artikel
De Aanbidding van het Lam Gods

De Rechtvaardige Rechters met D.U.A. als Nederlandse connectie

Volgende artikel
Paneel Rechtvaardige Rechters

Diefstal Rechtvaardige Rechters was een symbolische daad

Reageer op dit artikel

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

©2013-2026 Duyo Geldrop / Jan Bakker WebTeksten | kopiëren is niet toegestaan.